AANSLUITKABELS.NL

AANSLUITKABELS

Kabeltelevisie is de populaire naam waarmee het netwerk wordt aangeduid dat radio- en televisiesignalen vanuit één punt via een bedraad netwerk naar vele huiskamers brengt.

Historiek Nederland
In de jaren '50 en '60 van de 20e eeuw ontstond op de daken van de huizen een heel woud van antennes. Dit was niet alleen een lelijk gezicht, maar het was ook gevaarlijk: bij een storm konden slecht gemonteerde of slecht onderhouden antennes omwaaien en schade veroorzaken. Om hier een eind aan te maken werden per huizenblok, per wijk of per gemeente op centraal gelegen punten antennes opgesteld, van waaruit de radio- en televisiesignalen werden gedistribueerd. Doordat er verschillende fabrikanten met antenneinstallaties op de markt kwamen en er heel wat "knutselaars" bezig waren ontstond er een wildgroei aan systemen. Om dit te corrigeren werd door de overheid een machtigingsstelsel in het leven geroepen. Om een antenne-inrichting te mogen aanleggen was een machtiging vereist. Een dergelijke machtiging kon verkregen worden als aan technische en administratieve voorwaarden werd voldaan.

Er waren in het begin twee soorten installaties: een gemeenschappelijke antenne-inrichting (GAI) en een centrale antenne-inrichting (CAI). Een GAI mocht in principe niet groter zijn dan 100 aansluitingen en na het kruisen van een een weg mocht het signaal niet meer worden versterkt. Een CAI was beperkt tot de gemeentegrens.

In Nederland is er ook een plan geweest om een landelijk netwerk aan te leggen, het zogenaamd CAS net. Hiervoor is speciaal de CASEMA (Centrale Antenne Systemen Exploitatie Maatschappij) opgericht. Dit plan werd in de Tweede Kamer weggestemd en hiervoor kwam het machtigingenstelsel in de plaats. Later werden de regels verruimd en mochten gemeenten worden gekoppeld en konden ze samen van één ontvangstation gebruikmaken. Tegen een bepaald bedrag (per maand) kon men een aansluiting op de kabel "huren". Dit werd in steeds meer plaatsen verplicht. Vaak waren de eigenaren van CAI-systemen gemeentes.

In de jaren '70 en '80 werden de netwerken groter en kwamen er ook signalen van lokale omroepen en satellieten op de kabel die niet via de ether werden uitgezonden. De namen GAI en CAI verdwenen om plaats te maken voor de naam kabeltelevisie.


Historiek België
In België begon de ontwikkeling van kabeltelevisie al in 1960, met het eerste netwerk in Saint-Servais bij Namen, door Coditel. De oorspronkelijke bedoeling van deze vroege kabelnetwerken was tv aanbieden aan kijkers in gebieden met slechte ontvangst - zoals de rivierdalen in het zuiden van het land. Daarom volgden al snel netwerken in Luik, Verviers en Wezet. Vanaf 1964 kregen ook delen van Brussel kabeltelevisie. In grote Belgische steden bestond overigens vaak al zgn. radiodistributie: een kabelnetwerk waarmee men via vaste bakjes in huis een viertal radiozenders verdeelde. In steden was bovendien ook het esthetische aspect belangrijk: het "woud van antennes" verdween dankzij de kabeltelevisie. In de jaren '70 haalde het aantal aansluitingen al de kaap van 1 miljoen, vandaag zijn het er ongeveer 4 miljoen.

Vanaf 1969 werden de populaire (Franstalige) programma's van Télé Luxembourg (nu RTL TVI) via een straalverbinding verdeeld in Brussel en de grote Waalse steden. In de loop van de volgende jaren zijn er gelijkaardige verbindingen uitgebouwd voor de verdeling van de Franse (TF1 en Antenne 2), Duitse (ARD en ZDF), Nederlandse (Nederland 1 en Nederland 2) en vanaf het begin van de jaren '80 ook Britse (BBC1 en BBC2) tv-zenders over het hele Belgische grondgebied. Vanaf de jaren '80 kwamen daar ook via satelliet uitgezonden kanalen bij (o.m. de RAI, Sky Channel en MusicBox).

Na het Koninklijk Besluit op de distributienetwerken voor radio en televisie in 1966 konden de gemeenten kiezen uit vier vormen van kabeltv-exploitatie op hun grondgebied: een concessie voor een privébedrijf, een gemeentelijke regie, een zuivere intercommunale of een gemengde intercommunale. Dit KB heeft gevolgen tot op vandaag.


De techniek
Een kabeltelevisienetwerk bestaat uit een transportnetwerk, dat voor de aanvoer van de TV signalen zorgt en een toegangsnetwerk dat voor de distributie naar de aangesloten klanten.

Voor de aanvoer van de binnenlandse signalen wordt gebruikgemaakt van de SDH techniek, waarmee ongecomprimeerde TV signalen digitaal via een glasvezel worden verstuurd.

Op deze manier worden binnen Nederland en België, de publieke omroepen naar de verschillende kabeltelevisie netwerken getransporteerd. Een nieuwe ontwikkeling op dit gebied is het gebruik van transportnetwerken op basis van het internetprotocol. (Dit heeft niets te maken met het via internet kunnen zien van TV programma's of filmpjes.)

Ook kunnen TV signalen via een satelliet worden verspreid, het TV signaal is dan met behulp van MPEG-2 gecomprimeerd.

Al deze signalen komen binnen op een centraal punt, het zogenaamde ontvangststation. In het ontvangsstation wordt het analoge pakket samengesteld. Welke TV signalen worden doorgegeven en hun frequentie worden hier bepaald.

Voor de distributie van het pakket wordt gebruikgemaakt van de HFC techniek. HFC staat voor Hybride Fiber Coax. Het eerste deel van het netwerk bestaat uit Fiber of te wel glasvezel. Het laatste, en het kortste deel, bestaat uit coax.

Om het signaal met voldoende kwaliteit bij de klant te laten aankomen moet het in het coax stuk versterkt worden. Dat gebeurt door zogenaamde groeps- en eindversterkers. Samen met de optische zenders zijn deze verantwoordelijk voor het merendeel van de verstoringen in een analoog televisie beeld. De versterkers voegen ruis en stoorproducten toe.


Banden
Oorspronkelijk waren de volgende frequentiebanden voorzien voor kabeltelevisie: band I (VHF, kanalen 2, 3 en 4), band III (VHF, kanalen 5 t/m 12) en band IV/V (UHF, kanalen 21-69).

Aangezien door de beperkingen van de toenmalige kabels en versterkers het verlies op de UHF band te groot was, en er toch een vraag was naar meer beschikbare kanalen, definieerde men later nog twee extra VHF-banden: "Mid"-band (kanalen M1-M10, soms ook 80-89 genoemd) en "Upper" band (kanalen U1-U10, soms ook 90-99 genoemd). Deze twee extra banden bevinden zich respectievelijk onder en boven band III.

Teneinde nog meer kanalen ter beschikking te hebben werd de "Hyperband" ingevoerd: 20 extra kanalen, gelegen tussen de upperband en band IV.

Recentelijk wordt ook de UHF band door veel kabelmaatschappijen gebruikt.

Deze wirwar aan banden en het feit dat ieder TV merk er wel een eigen benaming op na houdt (ook voor de kanaalnummers) maakt het programmeren van de preselekties van een TV of videorecorder er niet eenvoudiger op.


Digitale TV via de kabel
Tegenwoordig wordt er ook via de kabel digitale televisie aangeboden. Hiervoor is een speciale decoder noodzakelijk. Voordelen zijn naast de betere beeldkwaliteit, ook video-op-aanvraag en de elektronische programmagids.

Digitale televisie kan naast de kabel ook aangeboden worden via xDSL, internet of satelliet.

Deze domeinnaam kopen of huren? geef hier uw bod